|
Na de moedige bijdrage aan de bevrijding van België, besluit de Belgische regering tot de wedergeboorte van een Belgische oorlogsmarine. Op 1 februari 1946 wordt de Zeemacht boven de doopvont gehouden. Het merendeel van het contingent wordt gerekruteerd uit de RNSB.
De twee Wereldoorlogen hebben enorme hoeveelheden niet ontplofte springtuigen, van allerlei makelij, in de zee achtergelaten. Een van de hoofdopdrachten van de nieuwbakken Zeemacht is dan ook de ontmijning. Zij krijgt een sector toegewezen van 490 vierkante zeemijl. De Belgische marine neemt hiervoor 8 mijnenvegers MMS over van het 118de flottielje van de Royal Navy. In de jaren na de oorlog zal België zich ontwikkelen als een specialist en innovator inzake mijnbestrijding.
In 1949 verwerft België door haar toetreding tot de Navo 6 hoogzee-escorteurs-mijnenvegers en ook in de volgende jaren zal België verschillende gespecialiseerde mijnenvegers in de vaart brengen.
In de jaren ’70 veranderen enkele uitvindingen grondig de techniek van het ontmijnen. De PAP (Poisson Automatique Propulsé) kan, op afstand bestuurd, mijnen onder water identificeren en vernietigen. Geleidelijk aan worden ook de hoogzeemijnenvegers vervangen door de nieuwere en modernere CMT’s.
Ook vandaag is mijnenbestrijding nog één van de voornaamste taken van de Belgische Marine. Sinds 1965 deelt België zijn ontmijnersschool ‘Eguermin’ te Oostende met de Nederlandse Koninklijke Marine. Op wereldniveau staat deze school bijzonder hoog aangeschreven. En de noodzaak blijft want zelfs vandaag worden nog met regelmaat springtuigen op zee ontdekt en onschadelijk gemaakt.
|